woensdag 10 augustus 2011

Gili Lawang, North Lombok, Indonesië – 28 juli 2011

We laten de vissers van Teluk Potopadou achter. Officieel omdat we niks meer kunnen uitdelen (officieus omdat die gasten achter mijn vrouw zitten maar dat hou ik voor mezelf).

Het is maar een half dagje zeilen van Teluk Potopadou naar Gili Lawang. Bij het ronden van de noordkant van Gili Lawang komen we opnieuw terecht in een wildwaterbaan met draaikolken en hysterische golfjes, maar de boot heeft er geen hinder van en vaart er rustig door.

Anchorage Gili Lawang

Daarna gaan we op zoek naar een geschikte ankerplaats. Omdat er een enorme stroming zit tussen het eilandje Gili Lawang en het grote eiland Lombok, willen we zo dicht mogelijk bij kust van Gili Lawang ankeren, waar minder stroming zou moeten zitten. We zien een gat tussen koraalriffen en zoeken voorzichtig onze weg naar binnen. Uiteindelijk vinden we een ankerpoel van vijf meter diep, zo groot als een zwembad. We ankeren er midden in. Links, rechts, voor en achter ons zijn we slechts op een paar tientallen meters omgeven door koraal.  Geen andere boot te bespeuren. Heel speciaal.

Ondertussen heeft lerares Haïke met Sepke en Ward het programma Biologie afgewerkt voor het tweede middelbaar. Nog belangrijker in de opvoeding van de kinderen is dat ik ze daarna leer ‘klakkebuisschieten’. Zelf was ik in 1980 kampioen klakkebuisschieten, het jaar nadat mijn neef Peter dat was (in onze zelf georganiseerde tornooien) en heb er goeie hoop op dat die traditie zich zal verder zetten.

maandag 8 augustus 2011

Teluk Potopadou, Sumbawa, Indonesië - 27 juli 2011

Ik heb de fout gemaakt even ‘vakantie’ te nemen en de blog te verwaarlozen. Tien dagen later breekt dat zuur op. Stom stom stom. Het is onwaarschijnlijk hoeveel indrukken in je ziel geprent worden op één dag in Indonesië. Het is een olifant aan indrukken die nu moet ingehaald worden op de blog. Ik probeer die olifant schelletje per schelletje te serveren. We halen het wel weer in. Enjoy.

Nadat we Borix en het drukke Sumbawa Besar achtergelaten hebben varen we een vijftiental mijl verder naar een exclusieve ankerbaai. Een topspot. Zo staat het in de enige gids die we hebben. De aanloop van de inham is op zijn minst gierend spannend. We hijsen Ward tot op de eerste zaling, Haike staat op de voorplecht, ik probeer zo traag mogelijk tussen de koraalhoofden en zandbanken de weg naar binnen te sturen. Even gaat de dieptemeter plots van 35 naar 3 meter, maar dan zijn we binnen en we varen een stuk de rivier op.

Machtig mooi plaatsje. We zijn omgeven door bergen. Hier kan je een orkaan uitzweten.

Gelukkig is daar helemaal geen sprake van. Het enige wat we moeten uitzweten is het bezoek van alle vissers van het dorpje wat verder. Allemaal super vriendelijk, lief, en komen gedag zeggen. Maar allemaal hebben ze kinderen die naar school gaan en geen papier noch stylo’s hebben. Tegen negen uur ‘s avonds hebben we nog 1 pen voor onszelf en nog een beetje papier. Ook een stapel boeken gaven we mee en al onze tijdschriften hebben we uitgedeeld. Eén van de vissers komt later op de avond terug met een emmer reuzengarnalen. We mogen ze hebben voor 3 euro. Wij blij en hij ook. Het was de visser die eerder probeerde avances te maken naar Haïke. Of ze niet met hem wilde trouwen. Hij had al twee vrouwen en het zou de pret alleen maar vergroten. Toen Haike het weglachte en zei dat dat wel een dure bedoening moest zijn met zoveel vrouwen, zei hij plots niets meer en ging vissen…

vrijdag 29 juli 2011

Labuan, Sumbawa, Indonesië – 26 juli 2011 – Kidnapping Flor

‘s Morgens maken we voor ons vertrek nog een wandeling op Pulau Moyo met Freddy en Oman naar een grot. Het plafond van de grot krioelt van de vleermuizen. Miljoenen zijn er. Beneden in de grot vinden we een Python slang, die zo’n vleermuis ligt te verteren.  We zien ook een speciale vogel, de Megapode. Groter dan een kip die een burcht van een nest hebben (zo’n nest is een meter hoog en tot vier meter in doorsnede). Ze leggen vier gigantische eieren. Het vrouwtje valt flauw bij het bevallen van zo’n ei, waarna het mannetje snel het ei kan ingraven, zodat het vrouwtje haar ei nooit kan zien. Ziet ze haar ei wel, dan eet ze het op. Vreemde vogels, die Megapodes. En we zien ook de krokodillenboom, een boom die, zoals zijn naam laat vermoeden, gelijkt op een krokodil. Na de impressionante wandeling nemen we afscheid van het mooiste dorpje van Indonesië.

Onze voedselvoorraad is helemaal uitgeput. Geen groenten meer, de blikken zijn op, noch vis noch vlees. We slagen er ook maar niet in om een vis te vangen. Sinds Kupang hebben we constant gevist en niet één keer heeft er een vis in ons aas gebeten. De Indonesiërs zijn gedreven vissers en vissen wellicht iets te efficiënt de hele zee rond hun eilanden leeg.

DSC_2640We besluiten naar Labuan te gaan, een stadje vlakbij de hoofdstad van Sumbawa: Sumbawa Besar. Als we daar nog niet goed en wel geankerd zijn, worden we verwelkomd door Borix die naar ons komt in een kano. Hij spreekt wat Engels en kan ons rondleiden in Labuan en Sumbawa Besar. Nog voor ons anker goed gezet is, zit Flor al in zijn Kano en zijn ze weg naar de kant.

Een half uurtje later komen wij ook toe op het strandje. Borix neemt ons mee op sleeptouw door zijn stadje. We zijn hier weer dé attractie, iedereen roept ‘Hello Mister’ (ook tegen Haïke en de kinderen) terwijl we door de smalle stoffige straatjes lopen tussen de gammele woningen. We zijn de eerste boot die hier dit jaar stopt. Toeristen komen hier bijna nooit. Er loopt een sliert kinderen achter ons waar de rattenvanger van Hamelen jaloers op zou zijn geweest, en opvallend is hoe volwassen vrouwen allemaal verzot zijn op Flor. Ze komen hem aanraken, in zijn haar zitten, in zijn neus en wangen knijpen, ze zouden hem bijna opeten… De pret was voorbij toen hij plotseling ontvoerd werd door twee vrouwen terwijl wij in de winkel 100 liter water stonden te kopen. Ze waren weg met hem. Kidnapping op klaarlichte dag. Als grapje bedoeld, maar het was de druppel die de emmer bij ons manneke deed overlopen. Hij heeft zich van die twee vrouwen losgerukt en kwam overstuur aangelopen. Nu is hij het beu om als Robbie Williams in een meisjesschool behandeld te worden. Hij wijkt nu geen centimeter meer van m’n zij en wilt voortaan geen voet meer op een Indonesisch eiland zetten…

Het vergt dan ook wat overtuigingskracht om de kinderen ‘s anderendaags mee te krijgen naar de markt van Sumbawa Besar.  Eerst bezoeken we met Borix nog de lagere school van Labuan. We hebben daar met onze verschijning die hele school een half uur platgelegd. De directrice kon niet van Sepke blijven, Flor zat zowat verstopt in m’n rechter broekzak, Ward was bijzonder op z’n hoede voor grijpgrage meisjes en Haïke en ik stonden het allemaal geamuseerd te bekijken, terwijl alle schoolkinderen rond ons stonden te drummen. Borix lag wat verder plat van ‘t lachen. We vragen een wereldkaart om aan de kinderen te kunnen tonen waar België ligt en welke route we gevaren hebben, maar er is in de hele school geen wereldkaart noch atlas te vinden… We beslissen in Bali wereldkaarten te kopen en af te geven bij elk schooltje dat we nog zullen tegenkomen.

Volgende stop: een supermarkt in Sumbawa Besar! Voor het eerst sinds een maand zien we nog eens een supermarkt. Kraaknet, weinig volk. Voor ons zijn de prijzen goedkoop, voor de Indonesiërs wellicht vreselijk duur. We kunnen wat blikken inslaan, en de kinderen zijn blij dat we opnieuw chips, nootjes en snoep aan boord zullen hebben.

Daarna naar de grote markt. We kopen zakken vol groenten en fruit voor een appel en een ei. Het lijkt alsof we uitgehongerd waren. De Bemo (een taxibusje) die we voor ons afgehuurd hadden, kwam aardig van pas.  Ook omdat Sepke besliste om nog eens flauw te vallen op dat marktje.

‘s Middags trakteren we Borix op restaurant. Heerlijke mie en nasi goreng voor nog geen 2 euro per bord. Als ik bij het afscheid nemen Borix 200.000 Rupi (20 euro) geef om hem te bedanken om die twee halve dagen voor ons te zorgen, is hij door het dolle heen. Het is wellicht het dubbele van wat hij had verwacht. Schat van een vent. (noot voor de cruisers die onze blog lezen en hier nog zullen passeren, dit is zijn nummer: 081237269208 – warm aanbevolen: hij kan ook voor water en diesel zorgen, kan de was doen en kent overal de weg).

IMGP0879IMGP0880IMGP0905IMGP0908

dinsdag 26 juli 2011

Indonesië, 22 tot 26 juli 2011

Kilo, Sumbawa, Indonesië – 22 juli 2011 – vlechtjes

We laten het dorpje Sangeang  met zijn botenbouwers achter ons. Sepke laten we ook achter. Zij vaart vandaag mee met de Go Beyond. Die hebben een opstapper mee, Johanna, die Sepke voorgesteld heeft om haar haar in vlechtjes te leggen. Het zou minstens een halve dag duren, dus kon Sepke vandaag maar beter met hen meevaren.

De jongens zijn niet lang jaloers, als ze merken dat ze vandaag  iets meer mogen dan anders. Een videofilmpje kijken tijdens het varen, met een paar snoepen. Huiswerk moest vandaag ook niet. Ook voor hen was het een verwendagje.

Onderweg worden we gevangen in een labyrint van vissers met enorm lange netten. De netten hangen tussen twee, bijna niet zichtbare, boeien. Voor het net vaart dan de visser en zwaait met een lange stok en een vlag om aan te duiden waar zijn net ligt. Eerst wijken we helemaal uit naar bakboord, ronden de boei van de eerste visser, om dan uit te komen voor de netten van een tweede visser die ook met zijn stok staat te zwaaien. We wijken helemaal uit naar stuurboord nu, ronden het tweede boeitje, tot we een derde, vierde, vijfde en zesde visser op dezelfde manier ontmoeten. Na nummer zes kiezen we het ruime sop en blijven we weg van de kust. Genoeg gelaveerd tussen vissersnetten.

Voor zonsondergang vinden we na lang zoeken een ankerplek. De waypoints en de kaarten kloppen niet. We zien de gigantische vulkaan Gunung Tambora die 200 jaar geleden laatst explodeerde (ze was toen 4200 meter hoog, het dak vloog eraf en nu is ze nog maar 2850 meter hoog). Wellicht broebelt het hier nog onder het oppervlak en verschuiven de eilanden lichtjes, wat kan de miswijzing op onze kaarten kan verklaren.

We ankeren achter een paar lokale vissersboten. Net als we Sepke gaan ophalen op de Go Beyond, is Johanna klaar met het vlechtwerk. En Sepke is er blij mee, (gelukkig, na 8 uur vlechtwerk).

Ondertussen komen de kinderen van het dorp met kano’s naar onze boot geroeid. Allemaal geweldig vriendelijk, beleefd en leuk. We geven ze snoepjes en stiften, ze vinden het geweldig. Zelfs nadat één van kano’s omslaat, hebben ze nog allemaal hun stiften en snoepjes vast en gieren ze van de pret.

‘s Nachts worden we een paar keer gewekt door de moslimgezangen die door luidsprekers galmen.

Kananga en Satonda, Sumbawa, Indonesië – 23 en 24 juli 2011 – boe

Pulau Satonda is een klein eilandje dat nog geen 2 mijl van Sumbawa ligt. Het is natuurpark met een prachtig koraal. Ankeren is er minder evident, want het is er heel diep en aan lij. We beslissen dan maar om voor de nacht aan het vasteland te gaan ankeren, bij het dorpje Kananga, twee mijl verder.

De volgende ochtend gaan we het dorpje bezoeken. Heel vriendelijke mensen, alles is er netjes, we lopen door de straten, doen hier en daar een babbeltje terwijl er een horde kinderen enthousiast achter ons huppelt. Dit jaar zijn we de eerste boot die hier ankert. Het lijkt wel of we een circusattractie zijn. Ward wordt aangeklampt en platgeknepen door meisjes van zijn leeftijd, jongens nemen foto’s van Sepke en iedereen vindt Flor schattig. “Levellen” met mensen die je aanzien als een marsmannetje is moeilijk, een beetje frustrerend soms. Maar iedereen is lief en ze lachen zich te pletter met onze grapjes en reacties. Haïke bezorgt een schattig meisje bijna een trauma als ze plots “boe” tegen haar zegt. De andere kinderen liggen in een deuk.

De rest van de dag brengen we door aan het eilandje aan de overkant, het natuurpark Pulau Satonda. We maken ons vast aan de Go Beyond, die aan een boei hangen, en vormen zo een groot vlot en uitvalsbasis om te gaan snorkelen, wandelen, duiken, zwemmen, babbelen, eten, enz enz enz.

Weeral een fenomenale koraaltuin, met onwaarschijnlijke visjes. Je geraakt het nooit gewoon. Gelukkig.

‘s Avonds haken we ons los van de Go Beyond en gaan terug ankeren op ons geliefd plaatsje aan het vasteland. Dicht bij het strand op 8°08.390 S en 117°46.060 E. Net na een adembenemende zonsondergang ziet de schemerende lucht zwart van de ‘flying foxes’, grote vleermuizen, die van Satonda naar Kananga vliegen om er te gaan jagen.

Door de luidspreker schalt een biddend meisje, rond onze boot dobberen vier kano’s met vissers. Het lijkt constant of ze zwaaien, maar dat is hun manier van vissen: snel met hun arm de vislijn ophalen. Wij geraken het maar niet gewend, en telkens we ze zien, zwaaien we terug. In het dorp Kananga denken de vissers nu dat we gestoord zijn.

Pulau Moyo, Indonesië – 25 juli 2011 – de baai van extremen

We zijn twee jaar onderweg vandaag. Tijdens de voormiddag vieren we dat met zeilen en tijdens de namiddag met het ontdekken van een nieuwe magische baai.

We ankeren voor één van de tien hutjes van het kleine dorpje waar we de naam van vergeten zijn (pos: 8°16.445 S en 117°30.360 E). Er wonen 20 mensen. Het dorpje is één van de vijf dorpen op het eiland Moyo.

Het is wellicht het puurste dorpje waar we ooit voor geankerd zijn. Als we aan land gaan worden we onmiddellijk uitgenodigd door Oman, een 30 jaar oude man, om bij hem op bezoek te komen in zijn huis. Zijn huis is een paalwoning (zoals alle huizen hier), met een dunne vloer (ik had schrik erdoor te zakken) en een rieten dak. Hij woont er samen met zijn vrouw, zijn twee kinderen en zijn zus. Het is er primitief (geen elektriciteit noch water), maar mooi ingericht en kraaknet. Het zijn schatten van mensen en we doen ons best om ons zo verstaanbaar mogelijk te maken in het Indonesisch.

We zitten door onze voedselvoorraad heen en gelukkig kunnen we bij hen een paar ajuinen en een kip (Ayam) kopen. Hij verdwijnt even om de kip te halen en komt dan terug met de levende kip waarvan hij de poten voor me begint samen te binden. Ons woordenboekje komt geweldig van pas om hem uit te leggen dat we liever zouden hebben dat hij de kip voor ons slacht en pluimt. Weer schieten we allemaal geweldig in de lach.

Even later neemt hij me mee naar buiten en toont hij me de spartelende en doodbloedende kip met doorgesneden keel. Een beetje geduld voor het pluimen, legt hij me uit, en hij roept zijn vrouw, die we nadien een half uur niet meer zien. Nadat het gesprek met Oman, zijn zus en ons een half uur verder gesukkeld was, waren we blij zijn vrouw met een plastic zak de kamer binnen te zien komen. Erin zat onze kip. De kop hing er nog aan, doorgesneden keel, met poten, ingewanden en al. Maar er zat geen pluimpje meer aan.

Eenmaal terug op de boot was het tijd voor wat onderwijs. De biologieles voor de kinderen vandaag was de dissectie van de kip.

Nadien nemen we de dinghy een mijl verder naar het andere uiteinde van de baai. Daar ligt één van de meest luxueuze resorts ter wereld (Lady Di verbleef hier ooit): Amanwana Resort. Over de prijs zegt de Lonely Planet: it’s like a ‘if you have to ask, you can’t afford it’ expensive resort.  Hier staan geen 10, maar 15 hutjes. Stuk voor stuk zien ze er adembenemend mooi uit. Nederig en vriendelijk personeel vangt ons op aan de aanlegsteiger en begeleidt ons een tikkeltje angstvallig naar de manager. Wij lazen in een oude gids dat je via het resort wandelingen kon gaan maken, kon gaan duiken of komen eten in het restaurant. De Zweedse manager was zo geweldig gastvrij om ons onmiddellijk te zeggen dat ze geen tijd hadden om met ons te gaan wandelen of duiken, maar dat we voor ons twee jarig jubileum welkom waren om vanavond mee te komen dineren. Het was barbecue. Maar 100 dollar. Per persoon. Drank exclusief natuurlijk. Als we daarna licht ironisch zeggen dat we in dat geval liever willen blijven slapen, komen we de prijs te weten: 1000 dollar per nacht. Voor iets wat ze de ‘ocean tent’ noemen. Exclusief BTW natuurlijk.

Pulau Moyo heeft een baai met het grootste contrast. Het poepchique snobistische resort en het arme kleine maar zo gastvrije dorpje. Het contrast en het cliché kunnen niet groter zijn.

Het feestmaal voor ons tweejarig jubileum was taaie dorpskip met appelmoes en puree. Het heeft ons honderd keer beter gesmaakt dan de duurste barbecue ooit zou kunnen smaken.

vrijdag 22 juli 2011

Indonesië, 17 tot 22 juli 2011

Gili Lawa Laut, Komodo, Indonesië – 17 juli 2011 – wildwatervaren

‘s Morgens worden we gewekt door een vissersbootje met twee Indonesiërs in. We liggen helemaal alleen in de baai. Sugar Daddy moet heel vroeg vertrokken zijn, wellicht hebben ze heel slecht geslapen na het dramatisch incident met Pickles. De twee Indonesiërs komen langs om ons een houten Komodo varaan te verkopen. Het was wat cynisch, maar ze waren mooi gemaakt en we hebben er toch eentje gekocht.

De stroming tussen de eilanden Flores, Rindja en Komodo is bijzonder sterk. Het is moeilijk te begrijpen wanneer, hoe en hoe hard die stromingen tussen de eilanden gaan. Er zijn weinig of geen goeie gidsen over die passages. We willen door de pas tussen Rindja en Padar varen waar we niks over terugvinden. Het enige wat we weten is dat ze diep genoeg is op de kaart. We timen door de pas te varen bij hoog water, omdat we vermoeden dat de stroming dan het minst zal zijn bij het keren van het tij.

Welnu, het was alsof we met onze Nest door de wildwaterbaan in Walibi gevaren zijn. Met een stroming van 7 knopen in onze rug, werden we door die pas gespuwd. Het landschap trok zo snel voorbij alsof we in een auto zaten. Links, rechts, voor en achter ons overal wilde golven en draaikolken, terwijl het nooit minder diep werd dan 40 meter. Wild tochtje.

Ondertussen gaf Haïke biologieles aan de kinderen. Over de voortplanting bij de mens. De wildwaterbaan kon de kinderen amper afleiden.

We maken een tussenstop bij Sebayor Kecil om even te gaan snorkelen boven prachtig koraal en schitterende vissen.

Na de lunch varen we naar Gili Lawa Laut, één van de mooiste duikplaatsen ter wereld. Go Beyond ligt er ook. Geassisteerd door een snorkelende Mads gooien we het anker op een schaarse plek zandbodem, tussen al het koraal. Het is hier magisch mooi.

Gili Lawa Laut, Komodo, Indonesië – 18 juli 2011 – snorkel snorkel snorkel

De kinderen gaan ontbijten op Go Beyond. Pannenkoeken. Haïke zwemt ondertussen haar 2 kilometer crawl en ik ga snorkelen. Onwaarschijnlijk mooie onderwaterwereld. Prachtig koraal, tropische visjes, Nemo’s, Dory’s, schildpadden, ...

De rest van de dag bestaat uit snorkelen. Snorkelen in de baai, snorkelen boven een rots, een paar mijl uit de kust, snorkelen langs de steile rotswand aan de vuurtoren, snorkelen onder de boot, snorkelen aan het strand. Buitengewoon wat we zien.

Gili Lawa Laut, Komodo, Indonesië – 19 juli 2011 – de vliegende Manta

‘s Anderendaags gaan we voor de verandering nog wat snorkelen. Ons middagmaal (biefstuk met gebakken patatjes) wordt abrupt onderbroken als we een Manta zien achter de boot. Het eten laten we staan en met z’n allen snorkelen we met de Mantarog. Het is een kanjer, een spanwijdte van wellicht meer dan 3 meter, en komt zo dicht voorbij ‘gevlogen’ dat je hem zou kunnen aanraken (maar dat doen we niet want dat is slecht voor hun huid). Een uur lang zwemmen we samen met de manta, tot we herinneren dat we nog aan het eten waren.

Er ligt een traditionele Indonesische ‘liveaboard duikboot’ naast ons. We gaan gedag zeggen en we krijgen 200 liter water uit de watermaker van hen. Ons water begon op te geraken, na al dat snorkelen en dus 1 keer per dag douchen…

‘s Avonds beklimmen we de berg om naar de zonsondergang te kijken. Het landschap is hier adembenemend. Alweer is dit wellicht één van de mooiste ankerplaatsen van onze trip. Na zonsondergang maken we een groot kampvuur op het strand, braden de kinderen hun marshmallows op een stokje en ontdek ik dat mijn laatste bierbrouwsel eindelijk rijp is om te drinken en van topkwaliteit is.

Het paradijs bestaat.

Banta Island, Indonesië – 20 juli 2011 – de vliegende dinghy

Het paradijs ontdekken om het ‘s anderendaags weer achter te laten. Op naar de zuidelijke baai van Banta Island. We vinden er een paar kleine lokale vissersbootjes, een vuil strand met alle rommel op die die vissersbootjes overboord kieperen en een gigantische maar smerige Portugese catamaran met twee Italianen (een dikke en een dunne) en drie Indonesische crewleden.

Net als er een greintje spijt opkomt dat we het paradijs te vroeg hebben achtergelaten, ontdekken we een schitterende snorkelplek aan de westkant van de baai. We zien vissen en koraal dat we nog nooit gezien hebben. Heel speciaal. En na het snorkelen zien we een vliegende dinghy. Echt, een vliegende dinghy.

De Italianen halen hun Lomac van stal, een dinghy met daarop een deltavlieger gemonteerd. Het duurt anderhalf uur om het spel te monteren, een half uur om de propeller aan de praat te krijgen en anderhalf uur om het ding weer op te plooien. Maar de dikke en de dunne hebben gevlogen met hun dinghy. Een half uur boven de baai.  Het was een absurd zicht om een dinghy de lucht in te zien gaan, maar als ik later rijk ben, wil ik het ook.

Het is verbazingwekkend hoe elke dag toch weer iets nieuws brengt.

Sangeang, Wera, Sumbawa, Indonesië – 21 juli 2011

Wij naar Sangeang in de Wera regio op het eiland Sumbawa. In afstand een halve dagtocht, in realiteit een driekwart dagtocht. De stroming tussen de nog actieve vulkaan Gunung Api (letterlijk: vuurberg) en het eiland Sumbawa raast aan 4 knopen. Tegen ons. Heel traagjes vonden we uiteindelijk het dorpje. De twee waypoints die we van de baai hadden, zaten er een paar mijl naast. Voor de liefhebbers is dit het juiste waypoint: 8°17.595 S 118° 56.010E. 

Sangeang is een prachtig dorpje waar de inwoners al generaties lang bootbouwers zijn. Ze maken grote traditionele Indonesische schoeners. Er staan er twee in de steigers. Nu ja, steigers. Ze hebben twee rijen bomen laten groeien op het strand en daar tussen wordt de boot gebouwd. Tussen de bomen hebben ze planken gebonden die ze als stellingen kunnen gebruiken. De breedte van de boten wordt dus bepaald door de afstand tussen hun bomen.

De inwoners zijn bijzonder vriendelijk. De kinderen zwermen rond de onze. Flor heeft een bal meegebracht en al snel staan ze onze drie wittekopjes met de kinderen in een grote cirkel te volleyballen. De kleintjes lopen naakt rond op het strand, springen in het water en rollen dan in het zwarte lavazand. Wat verder zit er eentje, met een rood hemdje, gehurkt zijn gevoeg te doen op het strand, wat later loopt hij naar het water om nog even zijn poepje te wassen.

We worden door de bootbouwers uitgenodigd op het grootste schip dat in de steigers staat. Het wordt een Indonesisch cargoschip. Volledig van hout. Zonder nagels. Het is prachtig om te zien. Met z’n zevenen werken ze er twee en een half jaar aan. Ze hebben nog een half jaar werk aan deze. Terwijl ik boven op het dek van het schip sta, zie ik dat jongetje met zijn rode truitje opnieuw. Hij zit bij zijn mama terwijl hij ‘gevlooid’ wordt. Elke luis die mama vindt, geeft ze aan het jongetje, die het bekijkt en daarna opeet.

De zeven bootbouwers lijken in volledige harmonie te werken. Het lijkt alsof er niemand de baas is, en ze allemaal perfect weten wat ze moeten doen. Onderling moet geen woord gezegd worden.

Terug beneden zie ik het jongetje met rode truitje terug naar het strand rennen, in zijn eigen gevoeg stappen, en naar het water hinkelen om zijn voetjes te wassen. Het is me een kereltje.

We wandelen door heel het dorpje, worden overal eerst aangegaapt, maar dan telkens vriendelijk gegroet. Nog wat verder worden we getrakteerd op een soort plakkerig gebak met rijst en pindanoten. Het moslimmeisje dat ons de plakkoekjes aanbiedt, is nog twee maand op stage geweest in België. Ze logeerde er bij een gastgezin en kon nog de woorden “lekker, eet smakelijk, suiker, dag en tante”.  Er staat een jongetje met een levende krab aan een touwtje. Spannend speelgoed voor hem.

Er komt een vrouw voorbij gewandeld met een kanjer van een vis op haar hoofd gebalanceerd terwijl wij terug naar de dinghy wandelen om alle verwondering te laten bezinken. Wat een stadje, Sangeang.